Een computer die een apparaat gedeeld heeft in een netwerk kan zowel printen als scannen*1. Maar, de computer die gebruikt maakt van dit gedeelde apparaat kan uitsluitend printen. Klik hier voor informatie over een gedeeld netwerk.
*1: Alleen als uw Brother machine de scan functie heeft.
Volg de aanwijzingen hierna om het Brother-apparaat te delen.
Stap 1: Geef de serverinstellingen op.
- Installeer de printerdriver. (De meest recente driver kan worden gedownload uit het gedeelte Downloads van deze website).
- Klik op Start => Apparaten en printers.
- Open het tabblad Delen en schakel Deze printer delen in. (Als u de knop Opties voor delen wijzigen ziet, klik er dan op).
- Klik op OK.
Stap 2: Geef de cliëntinstellingen op.
- Klik op Start => Configuratiescherm => Netwerk en internet.
- Klik op Netwerkcentrum.
- Klik op Geavanceerde instellingen voor delen wijzigen.
- Selecteer Netwerkdetectie inschakelen en Bestands- en printerdeling inschakelen en klik op Wijzigingen opslaan.
- Klik op Start => Apparaten en printers.
- Klik op Een printer toevoegen.
- Klik op Netwerkprinter, draadloze printer of Bluetooth-printer toevoegen.
- Selecteer een Brother-apparaat en klik op Volgende.
(Klik hier als u het gewenste Brother-apparaat niet kunt vinden.)
- Klik op Volgende.
- Kies Deze printer delen zodat anderen in het netwerk de printer kunnen vinden en gebruiken en klik op Volgende.
- Klik op Voltooien.
Opmerking
Als u het gewenste Brother-apparaat niet kunt vinden, is er mogelijk een probleem met de netwerkverbinding. Wij raden u aan om de opdracht Ping te gebruiken op de opdrachtprompt. (Klik op Start => Alle programma's => Accessoires => Opdrachtprompt).
Als u zeker weet dat er geen probleem met de netwerkverbinding is, probeert u het volgende:
- Klik op De printer die ik wil gebruiken, staat niet in de lijst.
- Kies Een gedeelde printer op naam selecteren en voer \\ computernaam server \ printernaam server in.
- Klik op Volgende.
- Klik op Volgende.
- Klik op Voltooien.
U kunt de naam van de computer opvragen door met de rechtermuisknop te klikken op het pictogram Computer op het bureaublad, gevolgd door Eigenschappen => Geavanceerde systeeminstellingen.

